Mijn adem stokte.
“Wat bedoel je?” vroeg ik, mijn stem dun en scherp tegelijk.
Mijn zus sloeg haar hand voor haar mond, alsof ze haar woorden terug wilde duwen. Haar ogen schoten van mijn gezicht naar Mason, naar het plekje op zijn dij dat nu zichtbaar was.
“Geef hem hier,” fluisterde ze haastig.
Ik deed geen stap naar voren. Integendeel. Ik hield hem steviger vast, instinctief beschermend.
“Leg uit,” zei ik. “Nu.”
Ze slikte en leunde tegen het deurkozijn, nog steeds in haar handdoek gewikkeld. Het zelfverzekerde, controlerende gedrag van de afgelopen weken was verdwenen. Wat er overbleef was angst. Echte, rauwe angst.
“Het is niet wat je denkt,” zei ze snel. “Het is geen mishandeling of zoiets. Maar ik… ik wist niet hoe ik het je moest vertellen.”
“Wat vertellen?”
Ze haalde trillend adem. “De artsen hebben vorige week een paar extra onderzoeken gedaan. Mason had afwijkende bloedwaarden bij de hielprik. Ze wilden uitsluiten dat er iets zeldzaams aan de hand was. Ze moesten opnieuw prikken. Meerdere keren.”
Ik keek naar het plekje op zijn been. Het zag eruit als een diepe blauwe plek rond een klein wondje. Niet netjes zoals een standaardvaccinatie. Meer alsof er meerdere pogingen waren gedaan.
“Waarom heb je niets gezegd?” vroeg ik zacht.
Ze liet haar schouders zakken. “Omdat jij al zoveel hebt meegemaakt.”
Dat antwoord raakte me onverwacht hard.
“Wat heeft dat hiermee te maken?”