De stilte die volgde nadat ik “112” had gezegd, voelde zwaarder dan alles wat daarvoor was gebeurd.
Alsof de werkelijkheid eindelijk de kamer binnenstapte.
De telefoniste stelde rustige, gerichte vragen. Adres. Situatie. Of er iemand gewond was. Of de persoon nog aanwezig was.
“Ja,” zei ik. “Ze staat hier. Ze verplaatst mijn spullen alsof het haar huis is.”
Jenna staarde me aan, haar gezicht veranderde langzaam van irritatie naar iets anders.
Ongeloof.
“Lauren, hang op,” zei ze, haar stem lager nu. “Serieus. Dit hoeft niet zo ver te gaan.”
Ik draaide me een stukje van haar weg, niet uit angst, maar om gefocust te blijven.
“Ze probeert me onder druk te zetten om te vertrekken,” vervolgde ik kalm tegen de telefoniste. “Ik voel me niet veilig met wat ze doet.”
Dat laatste was belangrijk.
Niet overdreven.
Maar duidelijk.
De telefoniste bevestigde dat er een eenheid onderweg was.
Ik hing op.
En toen begon het.
“Wat denk je dat je doet?” zei Jenna scherp. “De politie bellen? Voor mij? Je eigen zus?”
Ik keek haar aan zonder mijn stem te verheffen.