Ik bleef nog een paar seconden naar de papieren staren. Mijn handen waren rustig, maar vanbinnen voelde ik een spanning die ik in jaren niet had gekend. Niet omdat ik bang was om geld te verliezen — daar had ik in mijn carrière genoeg verhalen over gehoord — maar omdat het dit keer niet om vreemden ging.
Het ging om mijn eigen dochter.
Ik pakte de beige map weer op, stopte alles zorgvuldig in mijn tas en liep zonder iets te zeggen het huis uit. In de auto bleef ik even zitten, starend naar het stuur. De woorden van Diego echoden opnieuw in mijn hoofd.
“Als je weg bent, nemen ze alles af.”
Dat was geen fantasie van een kind. Dat was iets wat hij had gehoord. Misschien zelfs meerdere keren.
Ik reed rechtstreeks terug naar het kantoor van Andrés Navarro.
Hij zat al klaar toen ik binnenkwam, alsof hij wist dat ik geen tijd zou verspillen. Ik legde de documenten voor hem neer zonder iets te zeggen. Hij nam zijn bril, schoof die op zijn neus en begon te lezen.
De stilte in de kamer werd zwaar.
Na een paar minuten zuchtte hij diep.
“Dit is ernstiger dan ik dacht,” zei hij uiteindelijk.
Mijn maag draaide om. “Hoe erg?”