Toen ik weer bij bewustzijn kwam, was alles wazig.
Licht. Geluiden. Schimmen die bewogen.
Mijn lichaam voelde niet meer als van mij. Mijn kleren plakten koud tegen mijn huid en elke ademhaling sneed door mijn borst alsof ik opnieuw moest leren hoe dat werkte.
“Ze komt bij… voorzichtig!” hoorde ik iemand zeggen.
Een onbekende stem.
Niet mijn moeder.
Niet mijn vader.
Niet Vanessa.
Een vrouw knielde naast me, haar handen stevig maar voorzichtig.
“Blijf bij me, oké? De ambulance is onderweg.”
Ambulance.
Dat woord drong langzaam tot me door.
Mijn hand schoot instinctief naar mijn buik.
— “Mijn baby…” fluisterde ik.
De vrouw keek me aan, haar blik ernstig maar niet paniekerig.
“Blijf rustig. Je bent niet alleen.”
Niet alleen.
Die woorden voelden vreemd.
Want alles wat ik zojuist had meegemaakt… voelde precies als het tegenovergestelde.
—
De sirenes kwamen dichterbij.
Voor het eerst hoorde ik ook andere geluiden.