De straat voelde kouder dan de nacht zelf toen ik in mijn auto stapte.
Niet alleen door de temperatuur, maar omdat alles wat ooit “thuis” had betekend, achter die gesloten deur was blijven liggen.
Ik reed een paar minuten zonder richting. Niet omdat ik niet wist waar ik heen kon, maar omdat mijn hoofd nog vastzat in dat ene moment: het klikken van het slot. Alsof mijn leven niet eindigde met een ruzie, maar met een geluid.
Mijn telefoon ging. Eén keer. Daarna nog eens.
Ik nam pas op bij de derde keer.
“Emma,” zei een rustige vrouwenstem.
Het was advocaat Vermeer. Hij had mijn moeder jarenlang geholpen met haar zakelijke en persoonlijke zaken. Een van de weinige mensen die mijn vader nooit echt had kunnen controleren.
“Heb je even tijd?” vroeg hij.
Ik lachte kort, zonder humor. “Ik heb ineens alle tijd van de wereld.”
Er viel een korte stilte.
“Kom morgenochtend naar mijn kantoor,” zei hij. “Alleen. Het is belangrijk.”
Ik wilde vragen waarom, maar iets in zijn stem hield me tegen.
“Goed,” zei ik uiteindelijk.
De volgende ochtend was het kantoor van de advocaat stil, bijna te netjes. Glas, licht hout, alles op zijn plek alsof emoties hier niet bestonden.
Vermeer zat al te wachten.
Hij keek me even aan en knikte naar de stoel tegenover hem.
Lees verder op de volgende pagina