“Dat ga ik niet doen.”
Dat was nieuw.
Hij keek me aan, verrast.
De zaal werd stiller.
“Wat zei je?” vroeg hij.
“Ik zei dat ik niet wegga,” herhaalde ik rustig.
Een seconde.
Twee.
Toen duwde hij.
Niet met volle kracht… maar genoeg.
Mijn hak gleed weg op de natte vloer van de gemorste wijn. Ik verloor mijn balans, en voordat ik mezelf kon opvangen, viel ik achterover.
Samen met Sophie.
Het water van de fontein was ijskoud toen we erin terechtkwamen.
Een schok ging door mijn lichaam. Sophie gilde.
En toen—
Gelach.
Applaus.
Niet van iedereen.
Maar genoeg.
Dat was het moment waarop alles stil werd in mij.
Niet gebroken.
Niet boos.
Gewoon… stil.
Ik stond langzaam op, het water druipend van mijn haar en jurk. Sophie klampte zich nog steeds aan me vast, haar gezicht nat van tranen.
Niemand kwam helpen.
Niemand zei iets.
Totdat—
De grote deuren van de zaal openzwaaiden.
Het geluid alleen al trok ieders aandacht.
Een man stapte naar binnen.
Zijn aanwezigheid veranderde onmiddellijk de sfeer. Gesprekken stopten. Gelach verstomde.
Hij liep zonder haast, maar met een vanzelfsprekende autoriteit die de ruimte vulde.
Zijn blik zocht.
En vond mij.
Mijn adem stokte even.
Tien minuten.
Hij had woord gehouden.
Hij kwam recht op ons af, zonder ook maar één blik te werpen op de rest van de zaal. Toen hij bij ons stond, hurkte hij meteen neer tot op Sophies hoogte.
“Hey,” zei hij zacht. “Wat is er gebeurd?”
Sophie keek hem aan, haar lip trillend.
“Ik… ik heb iets omgestoten,” fluisterde ze.
Hij glimlachte geruststellend.
“Dat kan gebeuren. Dat maakt je niet fout, oké?”