De avond nadat ik de brief had voorgelezen, was het huis stiller dan ooit.
Niet de rustige stilte van vroeger, toen Catherine nog leefde en het huis vol kleine geluiden zat. Dit was een andere stilte. Een gespannen stilte, alsof zelfs de muren zich afvroegen wat er ging gebeuren.
Cassidy zat aan de keukentafel met haar handen om een glas water geklemd. Ze had het niet aangeraakt. Ashton zat op de grond met zijn knuffelbeer, maar hij speelde niet. Hij wachtte.
“Gaan ze echt komen?” vroeg Cassidy opnieuw.
Ik keek naar haar. Ze probeerde stoer te blijven, maar haar vingers trilden een beetje.
“Ze hebben het gevraagd,” zei ik voorzichtig. “Dat betekent niet dat jij iets moet doen wat je niet wilt.”
Ze knikte, maar ik zag dat ze me niet helemaal geloofde.
Dat was het probleem met zeven jaar afwezigheid. Vertrouwen kwam niet terug met een brief.
Het kwam helemaal niet vanzelf terug.
Brandon en Peyton kwamen op een zaterdagmiddag.
De lucht was helder, de zon fel, alsof Florida geen idee had van de storm die hier binnen zou losbarsten.
Toen ik de deur opendeed, stond Brandon daar eerst alleen.
Hij zag er ouder uit.
Niet alleen in jaren, maar in houding. Schouders iets ingezakt, ogen die te lang niet goed hadden geslapen.
Achter hem stond Peyton.
Perfect gekleed. Perfect kapsel. Maar haar glimlach was breekbaar.
“Pap,” zei Brandon zacht.
Dat woord hing vreemd in de lucht.
Cassidy en Ashton stonden achter mij in de gang.
Ik had ze niet gevraagd om zich klaar te maken.