Christopher bewoog niet meteen.
Hij stond nog steeds in de gang, alsof zijn lichaam niet had besloten of het moest vechten, verdedigen of gewoon verdwijnen. Jessica daarentegen had haar armen over elkaar geslagen, klaar om elke grens die ik stelde als een persoonlijke aanval te zien.
“Je gaat ons toch niet echt wegsturen,” zei ze uiteindelijk, haar stem scherp maar onzeker onder de oppervlakte.
Ik keek niet naar haar.
Ik keek naar mijn zoon.
“Dertig seconden,” herhaalde ik rustig.
May zat stil aan de eettafel. Ze hield haar glas water met beide handen vast, alsof het de enige stabiele plek in de kamer was. Haar ogen volgden alles, maar ze zei niets meer. Dat was haar manier om mij ruimte te geven om iets te doen wat zij zelf nooit zou doen: een grens trekken.
Christopher wreef over zijn voorhoofd.
“Pap, dit is belachelijk. We kunnen dit gewoon uitpraten.”
Ik knikte langzaam.
“Dat hebben jullie al jaren gedaan.”
Die zin hing in de lucht als iets wat eindelijk uitgesproken mocht worden.
Jessica rolde met haar ogen.
“Drama,” mompelde ze. “Altijd drama.”
Toen gebeurde er iets kleins, maar beslissends.
Lily, mijn kleindochter, stond op vanuit de woonkamer. Haar gezicht was nat van tranen, maar ze zei niets. Ze keek alleen naar haar moeder, toen naar haar vader, en daarna naar de gebroken schaal in de keuken.
Ze begreep niet alles.