De metalen deur kraakte toen hij verder open schoof, en de geur die me tegemoet kwam was oud, stoffig en vreemd vertrouwd tegelijk—alsof de tijd daarbinnen niet had stilgestaan, maar was blijven hangen.
Het was geen garage zoals ik had verwacht.
Geen lege ruimte.
Geen opslag.
Het was… ingericht.
Een kleine stoel stond tegen de muur. Een houten tafel met een vergeelde lamp erop. En aan de verre kant van de ruimte hing een oud prikbord vol papieren, foto’s en krantenknipsels.
Maar wat mijn adem volledig wegnam, stond in het midden.
Een doos.
Groot.
Afgedekt met een witte doek.
Mijn vingers trilden zo erg dat ik de deur bijna weer losliet.
“Hallo?” riep ik, mijn stem schor.
Geen antwoord.
Alleen het zachte zoemen van een oude koelkast in de hoek.
Ik stapte naar binnen.