Verhaal 2025 15 138

De sneeuwstorm huilde als een dier dat geen einde kende.

Ik kon nauwelijks ademhalen toen de man naast me knielde. Zijn handen bewogen snel, professioneel, terwijl hij mijn pols controleerde en zijn radio activeerde.

“Ze is hier! Levend! Zwaargewond!” riep hij.

Mijn lippen waren blauw. Mijn lichaam voelde niet meer als het mijne. Toch dwong ik mezelf om te blijven kijken naar zijn gezicht.

Zilverkleurig haar. Strakke kaak. Ogen die niet alleen angst, maar ook herkenning droegen.

“Wie… bent u?” fluisterde ik, of ik dacht dat ik het fluisterde. Mijn stem was nauwelijks meer dan lucht.

Hij aarzelde. Alsof die vraag hem pijn deed.

“Je hoeft dat nu niet te weten,” zei hij. “Ik krijg je hier weg.”

Maar in zijn blik lag iets anders. Iets dat ouder was dan dit moment. Iets dat mij betrof.

De kabel spande zich boven ons. De helikopter bewoog onrustig in de wind.

Hij wikkelde een thermische deken om mijn schouders en tilde me voorzichtig op, alsof ik van glas was.

“Je moet bij bewustzijn blijven,” zei hij strak. “Voor je kind.”

Die woorden trokken me net genoeg terug naar de werkelijkheid.

Mijn baby.

Een zwakke beweging, diep van binnen, herinnerde me eraan dat ik nog niet mocht verdwijnen.

Lees verder op de volgende pagina

Leave a Comment