Ik voelde alle warmte uit mijn lichaam verdwijnen.
Sophie.
Ze wisten wie mijn dochter was.
Ze wisten waar we woonden.
Richard keek naar het scherm.
“Ze zijn sneller dan ik dacht.”
Ik rende naar Sophies kamer.
Ze zat rechtop in bed en hield de lappenpop stevig vast.
“Mama?”
“Alles is goed, schat.”
Dat was een leugen.
Maar ik kon haar onmogelijk de waarheid vertellen.
Ze was pas vijf.
Terwijl ik haar instopte, viel mijn oog op de pop.
Er zat iets vreemds aan.
Een klein stukje draad stak uit een andere naad.
Mijn adem stokte.
“Sophie, mag mama even kijken?”
Ze gaf de pop aarzelend aan mij.
Ik trok voorzichtig aan het draadje.
Een verborgen opening verscheen.
Richard kwam achter me staan.
“Wat is dat?”
Ik wist het niet.
Maar ik voelde iets hards binnenin.
Heel voorzichtig haalde ik een klein metalen voorwerp naar buiten.
Een sleutel.
Niet groter dan mijn duim.
Aan het sleuteltje hing een verweerd label.
Locker 317.
Richard staarde ernaar.
“Dat is een stationskluis.”
“Waar?”
“Grand Central Terminal.”
Mijn hoofd tolde.
Alexander had niet één geheim verstopt.
Hij had meerdere lagen ingebouwd.
Alsof hij wist dat iemand de eerste aanwijzing misschien zou vinden.
Een brief.
Een USB-stick.
Een sleutel.
En waarschijnlijk nog meer.
Voor het eerst sinds jaren voelde ik niet alleen boosheid tegenover Alexander.
Ik voelde medelijden.
Want niemand zou zoveel moeite doen als hij niet werkelijk doodsbang was.
Richard keek op zijn horloge.
“We moeten morgenochtend naar die kluis.”
“Waarom niet nu?”
“Omdat iemand ons waarschijnlijk volgt.”
Hij liep naar het raam en keek voorzichtig naar buiten.
Toen verstijfde hij.
“Wat is er?”
Zijn stem werd nauwelijks meer dan een fluistering.
“Te laat.”
Ik liep naar hem toe.
Aan de overkant van de straat stond een zwarte SUV geparkeerd.
De motor draaide stationair.
De lichten waren uit.
Maar iemand zat achter het stuur.
Te kijken.
Naar ons gebouw.
Mijn handen begonnen te trillen.
“Wat doen we nu?”
Richard draaide zich naar mij om.
“Nu doen we precies wat Alexander wilde.”
“En wat is dat?”
Hij wees naar de sleutel in mijn hand.
“We vinden uit wat er in locker 317 zit.”
De volgende ochtend vertrokken we nog voor zonsopgang.
Sophie bleef bij mijn buurvrouw.
Ik voelde me schuldig terwijl ik afscheid nam, maar ik wist dat ik haar niet mee kon nemen.
Niet deze keer.
Tijdens de rit naar Manhattan keek ik voortdurend in de achteruitkijkspiegel.
Geen zwarte SUV.
Geen verdachte auto’s.
Toch voelde ik me niet veilig.
Grand Central was druk zoals altijd.
Mensen haastten zich langs elkaar heen zonder te beseffen dat mijn wereld op het punt stond volledig te veranderen.
Locker 317 bevond zich in een vergeten hoek van het station.
Mijn hand trilde toen ik de sleutel erin stak.
Een klik.
De deur ging open.
Binnen lag één enkele map.
Geen geld.
Geen sieraden.
Geen geheime documenten.
Alleen een dikke bruine map.
Richard pakte hem voorzichtig op.
Ik sloeg hem open.
De eerste pagina liet me verstijven.
Het was een geboorteakte.
Niet van Camila.
Niet van Alexander.
Niet van Sophie.
Maar van een klein meisje dat twaalf jaar geleden was verdwenen.
Daarachter volgden meer dossiers.
Meer namen.
Meer foto’s.
Meer verdwijningen.
Mijn ademhaling werd sneller.
Dit was geen familiegeheim.
Dit was iets veel groters.
Richard keek naar de laatste pagina.
Toen werd hij lijkbleek.
“Nee…”
“Wat?”
Hij draaide het document naar me toe.
Bovenaan stond een naam die ik onmiddellijk herkende.
Mijn eigen naam.
En daaronder stond een datum.
Een datum van drie maanden geleden.
Alsof iemand recent een dossier over mij had aangemaakt.
Onderaan de pagina stond één enkele notitie.
DOELWIT ACTIEF GEVOLGD.
Ik hoorde voetstappen achter ons.
Langzame voetstappen.
Steeds dichterbij.
Richard keek op.
Zijn ogen werden groot van schrik.
En op dat moment wist ik dat degene die achter ons stond precies wist wat we zojuist hadden ontdekt.
Einde deel 2…