Een zacht licht brandde achter de gordijnen.
Rowan bleef enkele minuten in zijn auto zitten voordat hij uitstapte.
Zijn benen voelden zwaar.
Toen liep hij naar de voordeur en klopte aan.
Een paar seconden later ging de deur open.
Maren stond voor hem.
Vermoeid.
Voorzichtig.
Maar niet verrast.
Alsof ze wist dat deze dag ooit zou komen.
“Waarom ben je hier?” vroeg ze rustig.
Rowan slikte.
“Ik ken de waarheid.”
Ze antwoordde niet.
“Over Tessa.”
Nog steeds geen reactie.
“Over de foto’s.”
Een kleine schaduw trok over haar gezicht.
“Over de betalingen.”
De stilte tussen hen voelde eindeloos.
Toen zei ze zacht:
“Het heeft lang geduurd.”
Die woorden deden meer pijn dan welke beschuldiging ook.
Rowan keek naar de vloer.
“Het spijt me.”
Maren sloot even haar ogen.
“Dat verandert het afgelopen jaar niet.”
“Ik weet het.”
“Het verandert niet dat ik je smeekte om naar me te luisteren.”
“Ik weet het.”
“Het verandert niet dat je me alleen liet toen ik je het hardst nodig had.”
Hij kon niets meer zeggen.
Omdat ze gelijk had.
Volledig.
Na een lange stilte deed Maren een stap opzij.
“Kom binnen.”
Binnen was het warm.
Rustig.
Op een kleine bank lagen twee slapende baby’s onder zachte dekentjes.
Rowan bleef staan.
Hij kon zijn ogen niet van hen afhouden.
Zijn kinderen.
Zijn zoon.
Zijn dochter.
Een jaar lang had hij hun eerste glimlach gemist.
Hun eerste lach.
Hun eerste woordjes.
Momenten die nooit meer terug zouden komen.
Zijn ogen werden vochtig.
Maren zag het.
Maar ze zei niets.
Toen haalde Rowan langzaam het document uit zijn jas.
“Ik moet iets weten.”
Ze keek naar het papier.
Meteen verstarde haar gezicht.