Chloe haalde diep adem, alsof ze zichzelf bijeenraapte voor iets dat ze al veel te lang had uitgesteld.
“Kom met me mee,” zei ze zacht.
Ik aarzelde. Alles in mij wilde weglopen, dit hele absurde tafereel achter me laten en doen alsof het nooit gebeurd was. Maar er zat iets in haar blik — iets oprechts, iets gebrokens — dat me tegenhield.
Zonder een woord te zeggen volgde ik haar.
We liepen langs de achterdeur van de zaal naar buiten. De koele avondlucht sloeg tegen mijn gezicht en bracht me een beetje terug naar de realiteit. In de verte hoorde ik nog gedempte muziek en gelach, maar hier buiten voelde alles stil… bijna zwaar.
Chloe draaide zich naar me om.
“Je verdient de waarheid,” zei ze. “En ik had je die veel eerder moeten vertellen.”