De hitte had het album dichtgesmolten.
Niet letterlijk als plastic dat vloeibaar wordt, maar als iets dat ooit open kon, dat ooit pagina’s had die je kon omslaan, en dat nu vastzat in een vorm van tijd die niet meer meewerkte. De kaft was licht gebogen, de randen opgekruld alsof iemand het in een oven had gelegd en vergeten was het er weer uit te halen.
Ik pakte het voorzichtig vast.
Te voorzichtig, alsof het kon verdwijnen als ik te hard ademde.
Mijn vingers trilden niet meer. Dat was het vreemde. De schok was overgegaan in iets anders. Iets stillers. Iets dat zich vastzette in mijn ruggengraat en mijn gedachten in rechte lijnen dwong.
Achter me stond meneer Pierce nog steeds.
Hij zei niets.
Dat was waarschijnlijk het enige juiste wat hij op dat moment kon doen.
Ik opende het album.
De eerste pagina plakte een beetje aan elkaar, maar het liet los. Foto’s van mijn oma. Jong. In een tuin die ik alleen kende van verhalen. Daarna mijn moeder als kind. Daarna ikzelf, veel te klein, met een scheve glimlach en een tand die net door kwam.