Daniel voelde hoe de woorden van Sophie als een zware steen in zijn maag vielen.
“Hij is daar.”
Hij bleef even stil zitten, op ooghoogte van haar, zodat zijn stem rustig bleef.
“Wie bedoel je, Sophie?”
Ze keek snel om zich heen, alsof ze bang was dat iemand haar zou horen. Haar vingers knepen nog harder in de zoom van haar rok.
“De man van mama,” fluisterde ze.
Daniel knipperde even met zijn ogen.
Hij kende haar moeder al jaren niet meer goed. Na de scheiding was het contact beperkt gebleven tot officiële afspraken en schoolzaken. Dat Sophie nu zo bang klonk, maakte iets in hem wakker dat hij moeilijk kon plaatsen.
“En wat gebeurt er als hij daar is?” vroeg hij voorzichtig.
Sophie slikte.
“Dan moet ik stil zijn.”
Die zin bleef hangen.
Niet dramatisch gezegd.
Niet overdreven.
Gewoon een kind dat iets herhaalt dat ze vaak heeft gehoord.
Daniel rechtte langzaam zijn rug, maar hield zijn stem zacht.
“Wie heeft dat tegen je gezegd?”