Caleb’s stem werd kouder.
“Plannen veranderen.”
Ik voelde hoe mijn ogen zich vulden met tranen, maar ik durfde geen geluid te maken.
Dit was geen misverstand.
Dit was geen geheim dat nog uitgelegd kon worden.
Dit was iets anders.
Iets gevaarlijks.
Mijn telefoon trilde zacht in mijn hand.
Een bericht van Mara.
Blijf stil. Ze zoeken iets.
Ik slikte.
Wat zoeken?
Beneden hoorde ik stappen. Caleb liep richting de keuken.
De man bleef in de gang staan, zijn blik langzaam rondgaand.
Alsof hij luisterde.
Alsof hij… voelde.
Ik trok me voorzichtig een paar centimeter terug van de opening.
Mijn hart bonsde zo hard dat ik bang was dat ze het beneden konden horen.
“Ze had hier moeten zijn,” zei de man plotseling.
Caleb kwam terug.
“Ze slaapt. Ik heb haar gezien.”
Een korte stilte.
Toen zei de man:
“Controleer het.”
Mijn maag draaide om.
Nee.
Nee, nee, nee.
Ik hoorde voetstappen richting de trap.
Ik keek paniekerig rond op de zolder. Dozen. Oude koffers. Geen echte schuilplek.
De deurklink bewoog licht.
Ik hield mijn adem in.
Een seconde.
Twee seconden.
Toen stopte het.
“Laat maar,” zei Caleb van beneden. “Als ze wakker was, had ze wel gereageerd.”
De voetstappen verdwenen langzaam weer naar beneden.
Ik zakte voorzichtig op mijn knieën, mijn hele lichaam trillend.
Ik leefde nog.
Maar dat gevoel gaf geen opluchting.
Alleen maar meer angst.
Mijn telefoon lichtte weer op.
Mara: Ze zijn daar niet toevallig.
Ik typte met trillende vingers:
Ik weet het. Caleb… hij… hij is erbij betrokken.
Een paar seconden geen antwoord.
Toen:
Ik weet het.
Mijn hart leek stil te staan.
Wat?
Wat bedoel je, je weet het? typte ik snel.
De drie puntjes verschenen… verdwenen… verschenen weer.
Toen kwam het bericht:
We volgen hem al maanden.
Mijn wereld kantelde opnieuw.
Maanden?
En ze had me niets verteld?
Beneden hoorde ik opnieuw stemmen, gedempt nu.
Ik kroop weer naar de kier en keek voorzichtig.
Caleb zat aan de eettafel, mijn laptop open voor zich. De man stond achter hem.
“Je hebt nog één kans om dit schoon af te ronden,” zei de vreemdeling. “Daarna trekken we ons terug.”
“Schoon?” herhaalde Caleb.
“Geen losse eindjes.”
Mijn keel werd droog.
Losse eindjes.
Bedoelde hij… mij?
Mijn telefoon trilde opnieuw.
Mara: Luister goed. Je moet daar weg.
Ik keek naar de gesloten zolderdeur.
Hoe?
Ze stonden beneden.
Ik kan niet. Ze zijn onder me.
Een paar seconden later:
Achterkant van de zolder. Is er een raam?
Ik draaide me om. In de hoek zat een klein, stoffig raam.
Ik kroop ernaartoe en duwde het voorzichtig open. De regen sloeg naar binnen, koud en hard.
Ja.
Goed. Je moet eruit. Nu.
Ik keek nog één keer naar de vloer.
Naar de plek waar mijn leven zich net in stukken had gebroken.
Toen hoorde ik Caleb lachen.