De woorden van de ambulancebroeder hingen nog in de lucht toen de kamer ineens te klein voelde.
“Medisch noodgeval met bezorgdheid over de verzorger.”
Ik had die zin al vaak gehoord in nieuwsberichten, in documentaires, in gesprekken over andere mensen.
Nooit dacht ik dat hij ooit over mij zou gaan.
Mark stond nog steeds bij het aanrecht.
Zijn gezicht was veranderd.
Niet in paniek.
Niet in schuld.
Maar in iets dat dichter bij berekening kwam.
Alsof hij snel probeerde te begrijpen wat de gevolgen zouden zijn.
De ambulancebroeder bleef bij Olivia.
Zijn handen waren rustig, professioneel, maar zijn ogen gleden steeds kort naar mij en daarna naar Mark.
“Mevrouw,” zei hij zacht tegen mij, “blijft u bij uw dochter. Praat met haar. Laat haar weten dat u hier bent.”