Het raam van de zwarte SUV gleed langzaam naar beneden.
Ik veegde snel mijn tranen weg, meer uit instinct dan uit waardigheid. Mijn ademhaling was onregelmatig, mijn handen trilden nog steeds rond het handvat van mijn koffer.
Binnenin was het donker, maar ik kon een silhouet zien.
Een man.
“Is alles in orde met u?”
Zijn stem was rustig. Laag. Gecontroleerd.
Geen nieuwsgierigheid zoals bij buren. Geen oordeel zoals bij familie. Alleen een kalme vaststelling van iemand die gewend is situaties snel te analyseren.
Ik aarzelde.
“Ja,” fluisterde ik uiteindelijk. “Het gaat wel.”
Dat was een leugen.
Een zwakke, doorzichtige leugen.
Alsof mijn lichaam het zelf niet geloofde, begon ik opnieuw te trillen.
De man stapte niet meteen uit. In plaats daarvan bleef hij me observeren.
Toen sprak hij weer.
“U staat hier midden in de nacht met een koffer en huilt bij een auto die u niet kent. Dat lijkt niet op ‘het gaat wel’.”
Een bitter lachje ontsnapte me, ondanks alles.
“U bent goed in observatie.”
“Dat is mijn werk.”
De woorden bleven even in de lucht hangen.
Mijn werk.
Ik keek eindelijk beter naar hem. Door het halfdonker zag ik een strak gesneden pak, een horloge dat duur genoeg was om discreet te zijn, en ogen die niet zozeer keken als wel registreerden.
“Wie bent u?” vroeg ik.
Hij aarzelde een fractie van een seconde.
“Daniel Hart.”
Ik knikte langzaam, hoewel die naam me niets zei.
Hij opende de portier.
“Stap in. U kunt hier niet blijven staan.”
“Ik ken u niet.”
“Dat klopt.”
“En u verwacht dat ik instap?”
Zijn blik gleed even naar mijn koffer.
“U heeft geen andere veilige optie op dit moment.”