“Nou, kijk eens aan,” klonk een stem die ik inmiddels kon uittekenen zonder op te kijken. “Aan het plannen voor morgen?”
Misty.
Ze was terug.
Ik draaide me langzaam om en stopte de brief in mijn zak zonder dat ze hem kon zien. Haar ogen gleden meteen over de rozen, mijn handen, mijn gezicht. Alsof ze al probeerde te berekenen wat ze nog kon afpakken voordat het officieel was.
“Je bent iets vergeten,” zei ik rustig.
Ze trok een wenkbrauw op. “En dat is?”
“Dat dit huis nog steeds niet van jou is.”
Ze lachte kort, maar er zat geen plezier in. Alleen ongeduld.
“Cassandra, je blijft je vastklampen aan emoties alsof ze juridische documenten zijn. Morgen verandert alles. Je vader is dood. En doden tekenen geen nieuwe contracten meer.”
Ik keek haar aan, echt deze keer. Niet als een indringer, maar als iemand die iets niet begreep wat al vastlag.
“Je vergist je,” zei ik.
Ze zette een stap dichterbij. “Weet je wat ik denk? Ik denk dat jij geen idee hebt wat er in dat testament staat. Jesse heeft alles al voorbereid. Simon heeft—”
“Mijn broer Jesse,” onderbrak ik haar rustig, “is de laatste persoon die mijn vader ooit volledig vertrouwde.”
Dat was niet eens een gok. Dat was iets wat mijn vader me ooit had gezegd, jaren geleden, toen alles nog normaal leek.
Misty’s glimlach verschoof heel even.
“Dat zullen we morgen zien,” zei ze uiteindelijk.
Ze draaide zich om, maar dit keer bleef ik niet stil.
“Je zei net iets interessants,” riep ik haar na.
Ze bleef staan, zonder zich om te draaien.
“Je zei dat je mijn vaders mentale toestand hebt ‘begrepen’ via mijn broer.”
Langzaam draaide ze zich om.
“En?”
Ik deed een stap vooruit, genoeg om haar te laten voelen dat de afstand tussen ons niet meer veilig was.
“Mijn vader was ziek, niet verward,” zei ik. “En hij had een hekel aan mensen die dachten dat ze hem konden lezen als een boek.”
Haar ogen vernauwden zich.
“Pas maar op, Cassandra. Morgen ben jij degene zonder kaarten.”
Ze liep opnieuw weg.
Maar dit keer bleef er iets hangen in de lucht. Niet haar parfum. Niet haar arrogantie. Maar iets anders.
Een fout.
En ik voelde het pas echt toen ze verdwenen was.
Ze wist iets.
Of ze dacht dat ze iets wist.
Binnen tien minuten stond advocaat Brenda op het erf. Ze liep zonder aarzeling door de tuin alsof ze precies wist waar elke steen lag.
“Je hebt haar gezien,” zei ze nog voordat ze hallo zei.
“Ja,” antwoordde ik. “En ze wordt steeds zekerder.”
Brenda keek even naar de rozen, toen naar mij.
“Dat is gevaarlijker dan woede,” zei ze.