Mateo slikte.
“Ik zal het niet doen.”
“Goed,” zei ze.
Toen werd ze even stil.
“Blijf je morgen ook komen?”
Mateo keek haar aan.
“Ik weet niet of dat mag.”
“Papa zei van wel.”
Dat was genoeg.
De dagen daarna werd Mateo een vaste bezoeker van het landhuis.
Niet als bedelaar.
Niet als indringer.
Maar als iets dat niemand echt kon benoemen.
Hij hielp in de tuin.
Praatte met Amanda.
Maakte haar aan het lachen.
Soms at hij mee.
Soms zat hij gewoon naast haar zonder iets te zeggen.
Ricardo zei weinig.
Maar hij keek veel.
Op een avond riep hij Mateo naar zijn kantoor.
De kamer was groot, donker, gevuld met boeken en stilte.
“Ga zitten,” zei Ricardo.
Mateo gehoorzaamde.
Ricardo ging tegenover hem zitten.
“Waarom maak je haar aan het lachen?”
Mateo fronste. “Omdat ze dat leuk vindt.”
“Dat is geen antwoord.”
Mateo dacht even na.
“Omdat niemand anders het doet.”
Ricardo knikte langzaam.
“En waarom doe jij het?”
Mateo keek hem aan.
“Omdat ze anders alleen is.”
Die woorden bleven hangen.
Ricardo stond op en liep naar het raam.
“Mijn dochter heeft alles gehad wat geld kan kopen,” zei hij. “En toch verloor ze het belangrijkste.”
Mateo zweeg.
“Wat is dat?” vroeg hij uiteindelijk.
Ricardo keek hem aan.
“Leven.”
Er viel stilte.
Toen draaide hij zich om.
“Je blijft hier.”
Mateo schrok.
“Wat?”
“Je krijgt een kamer. Eten. Onderwijs.”
Mateo voelde zijn hart sneller kloppen.
“Waarom?”
Ricardo keek hem lang aan.
“Omdat jij haar iets hebt gegeven wat ik niet kon kopen.”
Mateo wist niet wat hij moest zeggen.
Hij knikte alleen.
Die nacht lag hij in een echt bed.
Voor het eerst in jaren.
Maar hij kon niet slapen.
Want ergens diep vanbinnen wist hij dat dit niet alleen geluk was.
Het was het begin van iets groters.
En gevaarlijkers.
Want in de wereld van Ricardo Salazar gebeurde niets zonder reden.
En iemand zoals Mateo…
werd nooit zomaar gekozen.