Kom onmiddellijk naar huis.
Geen hartje.
Geen begroeting.
Geen uitleg.
Precies zoals het eerdere bericht.
De agente zag mijn scherm.
“Dat is niet hoe jouw moeder normaal schrijft, toch?”
Ik schudde mijn hoofd.
“Natuurlijk niet.”
Ze knikte langzaam.
“Dat dacht ik al.”
Een ongemakkelijk gevoel kroop door mijn borst.
“Wat bedoel je daarmee?”
Ze wees naar de telefoon.
“Wij geloven dat iemand toegang heeft tot haar toestel.”
Ik staarde haar aan.
“Wat?”
“Daarom wilden we niet dat je naar huis ging.”
Plotseling voelde de hele situatie veel ernstiger.
Niet omdat er documenten in dozen lagen.
Maar omdat iemand blijkbaar wist dat mijn vader verdwenen was.
En misschien ook wist waar ik was.
Ik keek naar de opslagdeur.
Voor het eerst vroeg ik me af wie ons mogelijk volgde.
De agente liep naar de laptop.
Ze opende het scherm.
Een wachtwoordvenster verscheen.
Naast het toetsenbord lag een kleine kaart.
Daarop stond slechts één zin.
Julian kent het antwoord.
Ik fronste.
“Ik?”
“Blijkbaar.”
Ik dacht na.
Mijn vader hield van puzzels.
Van raadsels.
Van verborgen aanwijzingen.
Maar dit voelde anders.
Veel belangrijker.
Toen herinnerde ik me iets.
Jaren geleden stelde hij altijd dezelfde vraag tijdens verjaardagen.
Wat is de enige plaats waar niemand je verleden kan veranderen?
Niemand begreep ooit waarom hij dat grappig vond.
Maar zijn antwoord was altijd hetzelfde.
De waarheid.
Ik typte het woord in.
WAARHEID.
Het scherm ontgrendelde onmiddellijk.
De agente glimlachte.
“Goed gedaan.”
Mijn maag maakte een sprongetje.
Op het bureaublad stond slechts één bestand.
Voor Julian.
Ik klikte erop.
Een videobestand verscheen.
Mijn handen begonnen opnieuw te trillen.
Ik drukte op afspelen.
En daar was hij.
Mijn vader.
Levend.
Zittend achter hetzelfde bureau.
De opname leek slechts enkele dagen oud.
“Hallo, jongen.”
Mijn adem stokte.
Zelfs de agente keek aandachtig naar het scherm.
Mijn vader glimlachte.
Niet verdrietig.
Niet bang.
Gewoon kalm.
“Als je dit ziet, betekent het dat mijn plan niet helemaal is verlopen zoals ik had gehoopt.”
Hij leunde iets naar voren.
“Maar het betekent ook dat jij precies bent waar je moet zijn.”
Ik voelde mijn ogen branden.
Niet van verdriet.
Van opluchting.
Hij leefde.
Of had in ieder geval geleefd toen deze opname werd gemaakt.
“Ik weet dat je vragen hebt.”
Zijn glimlach werd zachter.
“Veel vragen.”
Daar twijfelde ik niet aan.
“Maar luister eerst goed.”
Zijn blik werd ernstig.
“Vertrouw niet iedereen die je kent.”
Mijn hart sloeg sneller.
“Zelfs niet iedereen die van je houdt.”
De agente keek me kort aan.
Ook zij leek verrast door die woorden.
Mijn vader vervolgde.
“De waarheid zal dichter bij huis blijken te liggen dan je denkt.”
Toen stopte de video abrupt.
Zwart scherm.
Meer niets.
Geen uitleg.
Geen namen.
Geen antwoorden.
Alleen meer vragen.
Ik keek naar de agente.
“Dat was alles?”
Ze schudde haar hoofd.
“Nee.”
Ze wees naar de tweede doos.
“Dat was nog maar het begin.”
Ik keek naar de verzegelde kartonnen doos.
Op het deksel stond opnieuw mijn naam.
Maar dit keer stond er nog iets onder.
Open alleen wanneer je bereid bent alles te weten.
Mijn telefoon trilde opnieuw.
Deze keer kwam er geen bericht van mijn moeder.
Maar van een onbekend nummer.
Slechts één zin verscheen op het scherm.
We weten dat je in Unit 17 bent.
Ik voelde het bloed uit mijn gezicht wegtrekken.
Langzaam keek ik op naar de agente.
Zij had het bericht ook gezien.
En aan haar blik kon ik meteen zien dat dit precies was waar mijn vader al die jaren bang voor was geweest.
Want degene die hem had doen verdwijnen…
wist nu precies waar ik was.