Met trillende vingers stak ik de sleutel in het slot.
Klik.
De deur schoof langzaam omhoog.
Binnen brandde een enkele lamp.
Geen goud.
Geen geld.
Geen geheime schat.
Alleen een bureau.
Een archiefkast.
Twee dozen.
En een laptop.
Meer niet.
Ik fronste.
“Dit is het?”
De agente knikte.
“Voor jouw vader wel.”
Op het bureau lag een envelop.
Net als de vorige was die voorzien van mijn naam.
Ik liep naar voren en opende hem.
Binnenin zat een brief.
Het handschrift was onmiskenbaar dat van mijn vader.
Als je dit leest, betekent het dat fase één geslaagd is.
Ik voelde kippenvel over mijn armen lopen.
Fase één?
Wat betekende dat?
Ik las verder.
Julian,
Ik heb je nooit voorgelogen over wie ik was.
Maar ik heb je niet alles verteld.
Sommige waarheden zijn gevaarlijk zolang mensen er niet klaar voor zijn.
Als je deze brief leest, betekent dit dat iemand denkt dat ik dood ben.
Dat is precies wat ik wilde.
Mijn adem stokte.
Ik las de zin opnieuw.
Iemand denkt dat ik dood ben.
Niet iedereen.
Iemand.
De agente keek aandachtig naar mijn gezicht.
Ze wist blijkbaar al wat er in de brief stond.
“Mijn vader leeft?”
Ze antwoordde voorzichtig.
“Dat hopen we.”
Hopen?
Dat woord beviel me niet.
Ik keek terug naar de brief.
De afgelopen twaalf jaar heb ik geholpen bij een onderzoek dat groter werd dan ik ooit had verwacht.
Ik dacht dat ik het kon beëindigen zonder jullie erbij te betrekken.
Ik had ongelijk.
Als ik verdwenen ben, betekent dit dat bepaalde mensen dichterbij kwamen dan verwacht.
Ik keek op.
“Verdwenen?”
De agente knikte.
“Lees verder.”
Mijn handen werden steeds kouder.
Onder de brief lag een foto.
Ik pakte die op.
Mijn maag draaide zich om.
Op de foto stond mijn vader.
Naast hem stond dezelfde FBI-agente.
En nog drie onbekende mensen.
De foto was duidelijk recent.
Niet jaren oud.
Recent.
Mijn vader had dus niet drie dagen geleden in zijn studeerkamer gezeten toen hij zogenaamd overleed.
Hij was ergens anders geweest.
Levend.
Werkend.
Voorbereidend.
Ik bladerde verder.
De eerste doos bevatte mappen.
Honderden pagina’s.
Zakelijke documenten.
Banktransacties.
Foto’s.
Notities.
Namen.
Data.
Verbindingen tussen bedrijven.
Alles zorgvuldig geordend.
Mijn hoofd begon te tollen.
“Waar kijk ik naar?”
De agente sloot een map open.
“Bewijsmateriaal.”
“Van wat?”
Ze aarzelde.
“Financiële fraude.”
Dat antwoord verraste me.
Ik had iets spectaculairs verwacht.
Een spionagezaak.
Een geheime organisatie.
Iets uit een film.
Maar financiële fraude?
“Mijn vader was accountant.”
“Precies.”
Ze keek me aan.
“En daardoor zag hij dingen die anderen niet zagen.”
Ik dacht terug aan alle avonden waarop hij urenlang in zijn studeerkamer zat.
Alle telefoongesprekken die hij buiten voerde.
Alle keren dat hij zei dat hij nog wat werk moest afmaken.
Misschien was het inderdaad werk geweest.
Gewoon niet het werk dat wij dachten.
Mijn telefoon begon opnieuw te rinkelen.
Mijn moeder.
Weer.
Deze keer gevolgd door een bericht.
Waar ben je?