“Papa?”
Het woord was nauwelijks hoorbaar.
Een fluistering.
Een vraag.
Een hoop die zo klein was dat ze bijna brak terwijl ze werd uitgesproken.
Michel bleef stokstijf staan.
Zijn hand hing nog in de lucht boven Noahs voorhoofd.
Ik zag zijn keel bewegen toen hij probeerde iets te zeggen.
Maar er kwam geen geluid.
Noah keek tussen ons heen en weer.
Zijn ogen waren zwaar van vermoeidheid, maar er verscheen een voorzichtige glimlach op zijn gezicht.
“Ben je echt gekomen?”
Michel knielde langzaam naast de onderzoekstafel.
“Ja.”
Zijn stem brak.
“Ja, Noah.”
Het jongetje keek naar het verband rond zijn been.
“Ik dacht dat je druk was.”
Michel sloot zijn ogen.
Ik wist niet wat hij voelde.
Schuld.
Verdriet.