We hadden elkaar ontmoet op een bedrijfsconferentie.
Ik was zevenentwintig.
Hij negenentwintig.
Het gesprek voelde ineens onwerkelijk.
“Wat heeft dat hiermee te maken?” vroeg ik.
Hij slikte.
“Meer dan je denkt.”
Ik voelde spanning door mijn lichaam trekken.
Greg keek naar de foto.
Daarna weer naar mij.
“David was mijn neef.”
De hele zaal verstijfde.
Ik ook.
Wat?
Mijn gedachten schoten alle kanten op.
“Wat?”
Greg knikte langzaam.
“Mijn neef.”
Ik kon nauwelijks ademhalen.
“Dat heb je me nooit verteld.”
“Ik weet het.”
Mijn vader keek even naar mij.
Toen naar Greg.
Verbijsterd.
“Ik wist niet eens dat jullie familie waren.”
“Dat wist bijna niemand,” antwoordde Greg.
Hij zette het dienblad neer.
“Onze families hadden weinig contact.”
Ik probeerde de puzzelstukjes in elkaar te zetten.
Maar niets klopte.
“Waarom laat je iedereen deze foto zien?”
Greg sloot even zijn ogen.
Toen antwoordde hij.
“Omdat ik jarenlang jaloers ben geweest op een man die al twintig jaar geen deel meer uitmaakt van jouw leven.”
De woorden kwamen onverwacht.
Niemand had dat antwoord verwacht.
Niet ik.
Niet de gasten.
Niemand.
Greg keek naar de foto.
“Toen David overleed, vond ik tijdens het opruimen van zijn spullen een doos.”
Mijn hart sloeg een slag over.
“Daar zaten foto’s in.”
Hij hield dezelfde foto omhoog.
“Deze zat bovenop.”
Ik herinnerde me die dag ineens.
Een universiteitsfeest.
Een zonnige middag.
Niets bijzonders.
Maar blijkbaar had Greg die foto jarenlang bewaard.
“Waarom heb je me nooit iets gevraagd?” fluisterde ik.
Zijn gezicht vertrok.
“Omdat ik bang was voor het antwoord.”
De stilte werd bijna ondraaglijk.
Greg keek naar de gasten.
Toen weer naar mij.
“Ik dacht dat ik eroverheen zou komen.”
Zijn stem werd zachter.
“Maar telkens als iemand zei dat jij de liefde van mijn leven was…”
Hij stopte even.
“…vroeg ik me af of ik ook de liefde van jouw leven was.”
Mijn hart brak.
Niet van woede.
Van verdriet.
Zoveel jaren.
Zoveel tijd.
En blijkbaar had hij dit alleen gedragen.
“Greg…”
Hij schudde zijn hoofd.
“Laat me alsjeblieft uitpraten.”
Ik zweeg.
“Ik heb twintig jaar lang gedaan alsof het me niets deed.”
Hij glimlachte bitter.
“Maar soms zag ik je naar oude foto’s kijken.”
Hij slikte.
“Soms hoorde ik je verhalen vertellen over je studententijd.”
Zijn ogen werden vochtig.
“En telkens dacht ik aan hem.”
De gasten luisterden ademloos.
Mijn moeder keek bezorgd.
Mijn vader had zijn armen over elkaar geslagen.
Niemand wist wat er zou gebeuren.
Greg ademde diep in.
“Een paar maanden geleden vond ik die foto opnieuw.”
Hij keek naar mij.
“En ik besloot dat ik niet nog twintig jaar met dezelfde onzekerheid wilde leven.”
Ik voelde een brok in mijn keel.
“Daarom deed je dit?”
Hij knikte langzaam.
“Ik wilde eindelijk eerlijk zijn.”
Ik keek naar de foto.
Toen naar hem.
Daarna begon ik zachtjes te lachen.
Niemand begreep waarom.
Zelfs Greg keek verbaasd.
“Waarom lach je?”
Ik schudde mijn hoofd.
“Omdat je twintig jaar bang bent geweest voor iets dat nooit bestaan heeft.”
Hij keek me zwijgend aan.
Ik liep naar hem toe.
Langzaam.
Voor de ogen van alle aanwezigen.
Toen pakte ik de foto uit zijn hand.
“Ja.”
Ik hield de foto omhoog.
“Dit is David.”
Iedereen keek aandachtig.
“Mijn eerste vriend.”
Ik glimlachte zacht.
“Mijn eerste grote verliefdheid.”
Greg keek naar de grond.
Maar ik was nog niet klaar.
“En weet je wat ik me vooral herinner?”
Hij keek op.
Ik draaide de foto om.
Op de achterkant stond een datum.
Meer niet.
Geen liefdesbrief.
Geen boodschap.
Geen herinnering.
Niets.
“Ik ben vergeten wanneer deze foto werd genomen.”
Greg fronste.
“Wat?”
Ik knikte.
“Ik weet het niet meer.”