“Marianne,” zei ik terwijl ik mijn hand op mijn buik hield, “het is tijd.”
Aan de andere kant van de lijn bleef het even stil.
Niet omdat ze verrast was.
Omdat ze wist wat die woorden betekenden.
Marianne was al jaren mijn advocaat, maar ook iemand die me vaak had gewaarschuwd wanneer ik dingen probeerde goed te praten die niet goed te praten waren.
“Ben je veilig?” vroeg ze.
“Ja.”
“En ben je zeker?”
Ik keek naar het lege huis.
Naar de babykamer die ik zelf had geschilderd.
Naar de stapels rekeningen die ik grotendeels had betaald.
Naar de map op tafel.
“Ja,” antwoordde ik. “Absoluut.”
“Goed,” zei ze. “Dan beginnen we vandaag.”
Die middag stuurde ik haar alle documenten.
Bankafschriften.
E-mails.
Contracten.
Kopieën van overboekingen.
Bewijzen van geld dat zonder mijn toestemming was verplaatst.
Ik had maandenlang alles verzameld.
Niet omdat ik ruzie wilde.
Maar omdat ik steeds vaker het gevoel kreeg dat iets niet klopte.