Caleb voelde zijn adem versnellen.
“Wat schoonmaken, Maddie?” vroeg hij opnieuw.
Het meisje slikte hoorbaar.
“De borden. De flessen van Owen. De vloer.”
Hij sloot zijn ogen.
“Waarom moest jij dat doen?”
Een korte stilte volgde.
Toen kwam het antwoord.
“Omdat Jenna zei dat ze moe was.”
Caleb keek naar zijn horloge.
Vier uur.
Vier lange uren.
Hij pakte zijn autosleutels zonder nog iets te zeggen.
“Luister goed naar mij, Maddie. Ga op de bank zitten met Owen naast je. Ik ben onderweg.”
“Oké, papa.”
“En doe de voordeur op slot.”
“Dat heb ik al gedaan.”
Dat antwoord maakte hem tegelijk trots en verdrietig.
Een kind van acht hoorde niet zo verantwoordelijk te zijn.
Twintig minuten later draaide hij de oprit op.
Nog voordat de motor stilviel, sprong hij uit de auto.
De voordeur ging open.
Binnen was het stil.
Te stil.
In de woonkamer zag hij Owen in zijn wipstoel.