En daarachter… bewoog iets.
Heel licht.
Haar maag draaide om.
“Is er iemand daarbinnen?” vroeg ze, haar stem verrassend kalm.
Daniel reageerde niet meteen.
Dat was antwoord genoeg.
Clara liep langs hem heen.
Hij probeerde haar tegen te houden. “Wacht—”
Maar ze was al bij de deur.
Langzaam duwde ze hem open.
Binnen stond een vrouw.
Jonger.
Onzeker.
Gekleed in een van Clara’s oude T-shirts.
Ze keek alsof ze betrapt was in een werkelijkheid waar ze zelf niet meer in geloofde.
Niemand zei iets.
Niet meteen.
Toen haalde Clara diep adem.
“Hoe lang?” vroeg ze.
Niet boos.
Niet schreeuwend.
Alleen… recht.
Daniel wreef over zijn gezicht. “Clara, het is niet wat je denkt—”
Ze hief haar hand.
“Niet die zin,” zei ze. “Alsjeblieft niet die zin.”
De vrouw in de badkamer keek naar de grond.
“Het spijt me,” fluisterde ze.
Clara keek haar aan.
En tot haar eigen verbazing voelde ze geen woede naar haar.
Alleen… leegte.
“Ken ik jou?” vroeg Clara.
De vrouw schudde haar hoofd. “Nee.”
“Werk?” vroeg Clara, kijkend naar Daniel.
Hij knikte zwak.
Natuurlijk.
Altijd werk.
Altijd ‘druk’.
Altijd ‘later praten’.
De puzzelstukken vielen op hun plek.
Niet met een klap.
Maar langzaam, pijnlijk precies.
Clara leunde tegen de deurpost.
Vier maanden.
Vier maanden van vertrouwen.
Vier maanden van gesprekken via telefoon, korte berichten, gemiste oproepen.
En hier… had zijn leven gewoon doorgegaan.
Anders.
Zonder haar.
“En onze zoon?” vroeg ze ineens.
Dat was de vraag die de lucht deed veranderen.
Daniel slikte.
“Hij is op school,” zei hij.
“Hij weet hier niets van,” voegde hij er snel aan toe.