Ik opende mijn ogen weer.
“Dank u,” fluisterde ik.
Hij glimlachte zwak.
“Je hoeft me niet te bedanken.”
“Jawel.”
Er viel een lange stilte.
Maar het was geen ongemakkelijke stilte.
Niet zoals thuis.
Deze stilte… liet ruimte.
“Wat nu?” vroeg ik uiteindelijk.
Hij leunde iets naar achteren.
“Dat hangt van jou af,” zei hij. “Ik ben hier. Dat verandert niet. Maar ik ga niets forceren.”
Eerlijk.
Recht.
Zonder druk.
Ik knikte langzaam.
Mijn hoofd was nog te vol voor grote beslissingen.
Maar één ding voelde ineens heel duidelijk.
“Ik wil niet terug,” zei ik zacht.
Hij knikte meteen.
“Dat hoeft ook niet.”
Geen vragen.
Geen overtuigen.
Gewoon acceptatie.
Later die dag kwam een verpleegkundige binnen met eten.
Dit keer niet omdat iemand het vergeten was.
Maar omdat iemand ervoor had gezorgd.
Kleine dingen.
Maar ze voelden groot.
Mijn telefoon lag nog steeds op het nachtkastje.
Scherm donker.
Geen nieuwe berichten.
Geen gemiste oproepen.
Voor het eerst… deed dat geen pijn.
David stond op toen hij merkte dat ik moe werd.
“Ik ben buiten als je me nodig hebt,” zei hij.
Ik keek hem aan.
“Blijft u?” vroeg ik.
Hij glimlachte zacht.
“Ja.”
Toen hij de kamer verliet, bleef de deur een klein stukje open.
Net genoeg om te weten dat ik niet alleen was.
En voor het eerst in lange tijd…
Voelde dat als het begin van iets.
Niet perfect.
Niet eenvoudig.
Maar echt.
En dat was meer dan ik ooit had gehad.