Het meisje ging naast me zitten alsof dat vanzelfsprekend was.
Van dichtbij zag ik dat haar jas niet nieuw was, maar goed verzorgd. Ze had kleine, nette vlechten in haar haar en haar handen hielden een versleten rugzak vast alsof die belangrijker was dan alles in de bus.
“Hoe heet je?” vroeg ik.
“Lila,” zei ze.
“En waar ga je naartoe, Lila?”
Ze keek even naar het raam, alsof ze daar het antwoord kon vinden. “Naar mijn tante. Ze woont bij het park.”
Ik knikte langzaam. Dat was niets ongewoons. Kinderen die alleen met de bus reizen kwamen vaker voor dan men dacht, vooral in een grote stad.
Maar iets aan haar bleef aan me trekken. Niet onrustig, eerder… bewust.
“En jouw ouders?” vroeg ik voorzichtig.
Ze haalde haar schouders op. “Mijn mama werkt vroeg. Ze zei dat ik netjes moest zitten en mensen moest helpen als ik kon.”
Dat laatste zinnetje bleef hangen.
Mensen helpen als ik kon.
Alsof dat iets was wat haar was aangeleerd alsof het net zo belangrijk was als oversteken of je tas niet vergeten.
De bus stopte bij een halte en mensen stapten in en uit. Niemand keek echt naar elkaar. Iedereen zat in zijn eigen wereld van telefoons, vermoeidheid en haast.
Lila keek naar me alsof ze iets wilde zeggen maar niet zeker was of het mocht.
“U leek duizelig,” zei ze uiteindelijk.
Ik glimlachte flauwtjes. “Dat gebeurt soms.”
“U had kunnen vallen.”
“Dat is waar.”
Ze knikte serieus, alsof we het hadden over iets dat in een boek stond.
“Dan is het goed dat u zit,” zei ze.
Er viel een stilte tussen ons die niet ongemakkelijk was. Meer alsof de bus zelf even rust nam.
Ik keek naar haar handen. Kleine vingers, netjes gevouwen. Geen onrust, geen wiebelen zoals bij de meeste kinderen.
“Lila,” zei ik na een tijdje, “waar heb je geleerd om zo op te letten?”
Ze keek op. “Op school.”
“Alleen op school?”