Ik voelde mijn hart in mijn keel kloppen terwijl ik dichterbij sloop. Het badkamerlicht wierp een zacht gloed over de tegels, maar het was genoeg om te zien dat er niets ongepasts gebeurde. Sophie zat in het bad, haar schouders trillend van de kou en haar kleine handjes strak om haar knuffel geklemd. Mark zat ernaast, maar hij deed niets verkeerds. Hij was rustig, glimlachte zelfs vriendelijk, terwijl hij haar zachtjes afdroogde.
Voor een moment voelde ik opluchting. Maar die opluchting werd onmiddellijk overschaduwd door iets wat ik niet kon negeren: de manier waarop Sophie wegkroop in haar vaders schoot, bijna alsof ze bang was iets verkeerds te zeggen.
Ik trok me zachtjes terug, wachtend tot ze klaar waren. Toen ze naar buiten kwamen, zag ik hoe Sophie haar ogen wijd opende, maar ze keek niet naar mij. Ze leek op een afstand te blijven, haar knuffel stevig vastgeklemd tegen haar borst.
“Alles goed, schat?” vroeg ik voorzichtig, mijn stem zacht.
Ze knikte langzaam, maar zei niets.
Die nacht lag ik wakker, de beelden van de badkamer in mijn hoofd. Het voelde alsof mijn moederinstinct me waarschuwde, maar er was niets concreets—alleen die angst, dat ongemakkelijke gevoel dat er iets niet klopte.